Geboren en getogen in Bergen op Zoom struin je wel eens door de stad en begin je spontaan te dagdromen. Mijn wandelgang onder de Gevangen Poort door nam me mee naar vervlogen tijden en plots bevond ik me in een heus avontuur.

 

 

De ontsnapping                   (door Sonn Franken)

 

Hij liep onder de stadspoort door de stad in. De kreten van armzalige zielen gaven blijk van de nieuwe functie; een gevangenis. De stad was duidelijk aan het groeien. De aarden buitenwallen werden versterkt tot een stenen bescherming. Op de Grote Markt kreeg de grote kerk steeds meer gestalte en de Heer van de stad vond het nodig om zijn hof uit te breiden. Bergen op Zoom nam een steeds prominentere rol in als het ging om het zuidwesten van de lage landen. Ratelende wielen gaven hem de boodschap maar beter enkele passen opzij te doen. Hij was op weg naar de Grote Markt waar het vandaag jaarmarkt was. Er zouden koopmannen vanuit alle windstreken komen en dat betekende voor hem handel. Hij had net een nieuwe platbodem aangeschaft die hij in de Bergse haven had aangemeerd. Nu was het tijd om die boot te vullen en zijn waren te slijten op de Zeeuwse eilanden.

 

Het was druk op de Grote Markt. Het stadsplein was geheel gevuld met kramen, sommigen nog onbemand maar de meesten werden al druk bezocht en er werd volop onderhandeld over prijzen en hoeveelheden. Een deel van de kramen kon hij wel overslaan. Verse groenten en fruit dat er al aardig overrijp uitzag zou de tocht die hij voor had niet overleven. Daarbij had hij geen zin om het risico te nemen. Slechts één dag vertraging kon hem rottende waren opleveren die hij nooit meer aan de Zeeuwse bevolking kon slijten. Gelukkig was er genoeg dat hem wel kon interesseren. Hij stapte op een kraam af met allerlei potten. De stad was gekend om zijn pottenbakkers en deze kraam had potten in alle soorten en maten. “Hallo, ik ben Willem en ik ben geïnteresseerd in een deel van je handel.” Stelde hij zich voor. De handelaar zag direct dat er hier iets te verdienen viel en haastte zich tot hem. “Hallo heerschap, waarmee kan ik U van dienst zijn.” Willem liet zijn handen glijden over allerlei potten en borden. Hij woog ze zorgvuldig, klopte er op om te zien hoe hard ze waren en liet zijn vingers over de oppervlakten gaan om te voelen hij fijn ze waren. De Zeeuwen kennende moesten zijn waren van redelijke tot goede kwaliteit zijn. Willem en de kraamhouder onderhandelden over aantallen en prijzen maar na een poosje waren ze er uit. Willem was blij met de resultaten want hij had mooie goederen voor een aardige prijs. Daar was een flinke duit op te verdienen. Hij maakte de afspraak met de handelaar dat de waren naar zijn boot zouden worden gebracht. Hij had twee dekknechten aangenomen die zich nu op het schip bevonden. De waren konden dus gelijk aan boord. Hij schudde de hand van de handelaar en begaf zich weer op pad. Hé, daar hadden ze kazen. Daar was altijd wel markt voor. Zo struinde Willem de jaarmarkt af en in gedachten zag hij zijn boot al voller en voller worden.

 

Het was reeds halverwege de middag dat Willem het wel best vond. Het was een goede dag geweest. Hij hoefde zelf niets te sjouwen want overal had hij kunnen bedingen dat de handelaren hun spullen in de Bergse haven afleverden. Hij had er zowaar dorst van gekregen en een maaltijd zou er ook wel in kunnen. Hij stapte het plein over en zette zich neer bij De Draak. Van hier uit had hij een mooi uitzicht op het stadsplein met haar kramen maar ook op de grote kerk die aan de andere kant van het plein stond. Stellages bekleedden de kerk want er werd volop aan de uitbreiding gewerkt. Hij bestelde een forse kruik bier en bedacht wat hij wilde eten. De serveerster lachte vriendelijk terwijl ze stond te wachten om zijn bestelling op te nemen. “Weet je, het is een goede dag geweest dus doe voor mij maar eens een lekker stuk paardenvlees met brood. En laat de jus maar rijkelijk vloeien.” Bij de gedachte alleen al liep het water hem in de mond. Hij zat op de hoek van het terras en had een heel tafeltje voor hemzelf. Toen de serveerster hem zijn maaltijd bracht bestelde hij nog een kruik bier en betaalde haar contant. De rest van de muntstukken verdween weer in zijn buidel. Hij had nog best wat over want hij had minder voor zijn waren hoeven te betalen dan hij vooraf bedacht had. Nee, het was een beste dag.

 

Een aantal kramen werd al opgeruimd. Die hadden hun goederen al verkocht zeker. Toch was het nog druk met mensen die zich tussen de kraampjes waagden. Een groepje van vier luidruchtige mannen kwam in zijn richting. Hij had al direct gezien dat het vervelende kerels waren. Ze pakten alle goederen in hun handen, om ze vervolgens achteloos weer in de kraampjes te gooien. Een appel werd gejat, een beet er van genomen, en vervolgens werd ze naar het hoofd van de kraamhouder geworpen. Bij een andere kraam pakten ze de onderste van een hoop kazen waardoor de rest over de grond rolde. Ondertussen brulden de mannen het uit van het lachen. Ze zagen er ook vervaarlijk uit. Grote laarzen, een rapier en een dolk in de broeksriem, en een kruisboog op de rug. Op hun hoofd hadden ze een grote hoed met weelderige pluim. Het zouden heren kunnen zijn als hun laarzen niet onder de modder zaten, hun kleren niet verfomfaaid waren en hun manieren en taalgebruik heel veel te wensen overlieten. Zo kwamen ze al lachend, van de ene naar de andere kraam struinend, in zijn richting.

 

Een van de mannen keek naar De Draak en zag Willem zitten. Hij stootte z’n makker aan. Het duurde niet lang of alle vier hadden ze hun ogen op Willem gericht. Luidruchtig kwamen ze op hem af en pakten een stoel aan zijn tafel. Ze zetten zich neder met een bulderende lach en keken hem indringend aan. De man links van hem reikte zijn hand uit en pakte de kruik bier van Willem. Hij zette hem aan de mond en begon met gulzige teugen te drinken. Het bier droop langs zijn kin. De man aan de andere kant van Willem deed een greep in zijn bord en pakte een stuk vlees met zijn smerige hand. Met de andere gaf hij Willem een dreun op de schouder. “Nou, dat smaakt prima kerel. Bestel voor mij ook eens een kruik bier. Ik heb wel dorst.” Lachend keek hij zijn maten aan. Willem had alle zin al verloren. Hij maakte aanstalten om op te staan maar de eerste kerel trok hem weer in zijn stoel. Nu was het welletjes en Willem liet dan ook een grote vloek en stond weer op:”Ik groet U heren, ik ben hier niet van gediend. Ik ga niks voor jullie bestellen, jullie stelletje lapzwansen. Ga je eigen geld verdienen en val hardwerkende mensen als mij niet lastig.” Hij maakte aanstalten om te vertrekken maar ineens stonden de vier mannen voor hem. Hij rook hun stinkende adem. Ze hadden al het nodige op. “Nee mannetje, jij geeft eerst nog een rondje. Ook wij hebben hard gewerkt, we hebben wel alle kramen op deze miserabele markt bezocht. En dit noemen jullie een jaarmarkt? Wat een lachertje.” Besloot de man die zijn kruik bier nog in de hand had. Triomfantelijk keek hij zijn vrienden aan. Willem voelde zich ingesloten. Hij was beslist niet bang uitgevallen en kon best zijn mannetje staan. Maar het waren wel vier van dit soort sujetten. Hij dacht even na maar toen hij zag dat de uitbater van De Draak en de andere gasten met angstige ogen naar het tafereel keken, wist hij dat hij op zichzelf aangewezen was. Plots haalde hij vol uit en sloeg de man, die de bierkruik nog maar eens aan de mond zette, vol op de kin. Als een plumpudding zakte deze in elkaar terwijl de anderen verschrikt opzij sprongen. Willem dacht er in dit ogenblik vandoor te gaan maar een van de kerels smeet een stoel in zijn pad. Willem struikelde en sloeg tegen de grond. Hij was weer vlug op zijn voeten maar de andere drie kerels stonden nu voor hem met de wapens in hun hand. Ze zouden hem aan het ijzer rijgen bedacht Willem. Snel greep hij naar de tafel. Het bord met vlees en jus en een lege bierkruik kletterden tegen de grond. Hij hield de tafel voor hem als schild. Zo slaagde hij er in om de houwen en uithalen van de drie tegenstanders af te slaan. Wel werd hij achteruit gedrongen zodat hij al snel tegen een andere tafel botste. Hij greep naar een fles wijn die daar stond en smeet die in de richting van die vervelende kerels. Hij raakte er een precies op het hoofd. Met een grote knal spatte de fles uiteen en de wijn spoot in het rond. Wonderbaarlijk verloor de man zijn bewustzijn niet maar er verscheen wel een grote buil op zijn voorhoofd. Terwijl de halfzatte kerels vooruit duwden moest Willem achteruit. Andere gasten werden verdrongen, stoelen en tafels werden omgesmeten en de chaos was compleet. Het duurde niet lang. Mannen met uniformen en pet verschenen ten tonele en onmiddellijk werd er ingegrepen. Houten knuppels werden gehanteerd en al snel vielen de aanvallers één voor één. Willem kon een grijns van opluchting niet onderdrukken, heel even maar, toen werd het donker.

 

Een pijnlijke klop in zijn hoofd wekte Willem. Toen hij zich moeizaam oprichtte werd hij gewaar dat hij in een bijzonder kleine ruimte was opgesloten. Er was slechts één klein raam waar tralies voor staken. Hij keek naar buiten. Daar zag hij het havengebied, hij moest zich wel in de Gevangen Poort bevinden. Dit was in vroegere jaren altijd één van de stadspoorten geweest maar sinds de stad groeide was deze functie vervallen en werden er gevangenen opgesloten. Het was koud en het stonk. Voorgaande bewoners van deze ruimte hadden hun gerief in een hoek van de kamer gedaan en sindsdien leek niemand hier schoonmaak gehouden te hebben. Hij zette zich terug op wat voor een bed moest doorgaan. Het matras was smerig en gescheurd. Een kussen was er niet. Wie weet hoeveel ongedierte in deze kamer te vinden was? Wat deed hij hier? Waarom hadden zij hem neergeslagen, hij was toch het slachtoffer? Hij wreef over zijn wang en voelde het bloed waar een dolk hem geraakt had. Maar ook zijn oor en haren waren vol bloed. De klap met de houten knuppel was heftig geweest.

 

De deur ging piepend open. Het was een zware houten deur die met ijzer beslagen was. Twee mannen in uniform stonden in het deurgat en bevalen hem hen te volgen. Ze daalden af in de toren tot ze een grotere ruimte binnen traden. Een norse man zat achter een houten bureau en keek verveeld op. “Naam en beroep.” Klonk het in de donkere stenen ruimte. “Willem Withagen, ik ben schipper.”  Gaf Willem als antwoord. “Waarom ben ik hier en waarom hebben jullie me neergeslagen? Ik heb niks misdaan, ben alleen aangevallen door die vier ongure personages.” De norse man keek op. “Zwijg, je hebt je schuldig gemaakt aan verstoring van de orde, het plegen van geweld en het in diskrediet brengen van de troepen van onze Heer Jan van Glymes II, Kanselier in de Orde van het Gulden Vlies en adviseur van Philips de Schone.” Als Willem zich niet in deze situatie bevonden had dan had hij nu hartelijk gelachen. Dit gespuis behoorde tot de troepen van Jan ‘metten lippen’? Hij had zich de troepenmacht wel anders voorgesteld. Soldaten waren immers mensen van eer? Hij deelde zijn gedachten met de man achter het bureau en vertelde hoe hij gewoon van zijn maaltijd genoot en dat de anderen juist de reden van de ordeverstoring waren. “Vraag het aan de waard van De Draak. Vraag het aan de andere gasten daar, ze zullen het beamen.” Wederom werd Willem het zwijgen opgelegd. “Hoe durf jij zulke laster uit te spreken over de Pauselijke troepen?  Deze mannen zijn opgeroepen om deel te nemen aan een kruistocht onder de vlag van Paus Pius II. Onze Heer Jan van Glymes is een gezant van de paus en heeft de persoonlijke opdracht ontvangen om een waardige troepenmacht tot stand te brengen. En jij durft het om dit gezag te ondermijnen met je leugens? Hierbij veroordeel ik je tot zestien maanden in het cachot en ik verklaar je bezittingen verbeurd. Deze zullen ten deel vallen aan de Heer van onze stad.” Hij wees naar de deur en de twee wachters sleepten de tegenstribbelende Willem met zich mee. Dit keer ging het naar beneden en werd hij in een vuil hok op de begane grond gesmeten. “Wen er maar aan, hier zit je de komende tijd.” Hoonden beide bewakers. Hij hoorde hoe de deur zwaar dichtsloeg. Verbouwereerd leunde Willem tegen een koude muur. Dit kon toch niet waar zijn. Gisteren nog had hij voldaan op een terras gezeten na een bijzondere vruchtbare handelsdag. Nu zat hij in deze koude ruimte opgesloten en waren al zijn bezittingen afgenomen. De dag vorderde en hij hoorde hoe de twee bewakers zich al die tijd op de begane grond bevonden. Af en toe rammelden ze eens aan zijn deur en konden dan het lachen niet laten. Maar hij kon ze ook horen drinken. Waarschijnlijk verveelden ze zich stierlijk en was drank de oplossing. De gesprekken die ze voerden werden alsmaar onsamenhangender en ze begonnen al te zingen. Willem zat in zijn cel en voelde de koude door zijn ledematen trekken. Ook zijn gemoed zakte met het voortschrijden van de tijd. Het zou al snel donker worden, bedacht hij.

 

“Pssstt, baas, ben je daar?” Klonk het plots. Willem herkende de stem van Henk. Hij stond onmiddellijk op en liep naar het getraliede venster. “Ja, ik ben hier. Ze hebben me opgesloten om iets dat ik niet gedaan heb. Met al die soldaten hier in de stad wordt het steeds corrupter. Ze hebben zelfs al mijn bezittingen verbeurd. Hoe is het met de boot, zijn alle goederen aangekomen.?” “Ja”, zei Henk, “we hadden gisteren al alles ontvangen en hebben alles onmiddellijk geladen en vastgesjord. We waren al klaar om met hoog tij uit te varen. Maar, sinds vanmiddag hebben ze de boot vastgelegd baas. Wij moesten van de boot af en morgen wordt hij door een ander schipper opgepikt. Je raadt nooit wie. Piet Landa heeft zijn neus al laten zien.” Willem vloekte. Piet Landa speelde onder een hoedje met de magistraten van de stad. Overal waar iemand zijn schulden niet kon betalen verscheen Piet. Overal waar spullen verbeurd werden, daar was Piet weer. Het zou hem toch niet overkomen dat?  “Ik moet hier weg Henk. Kun je me uitbreken?” Henk lachte zachtjes. “Die twee bewakers slapen al als een roos baas. En nu met de schemering zijn de lantaarns nog niet aangestoken en let niemand op. Wacht maar.” Willem hoorde hoe Henk zich verwijderde van het raam. Even later hoorde hij een doffe klop, een zucht en vervolgens hoorde hij de sleutel in het slot draaien. Dan piepte de deur even en opende deze zich in een spleet. Willem trok aan de deur, net ver genoeg om hem door te laten. Hij zag beide bewakers tegen het kozijn leunen. “Eentje sliep nog niet diep genoeg baas. Dus heb ik hem maar een beetje geholpen.” Grijnsde Henk. Vlug maakten ze zich uit de voeten. Ze liepen onder de poort door en verdwenen aan de rechterkant van de haven. De boot lag dan wel aan de linkerkant maar aan deze kant van de haven stonden veel kisten opgestapeld, lagen er veel touwen en bevond er zich van alles onder zware zeilen. Zo konden ze ongezien uit het stadscentrum ontsnappen. Ze bevonden zich halverwege de haven toen Henk halt hield. Hij schopte tegen een zeil en onmiddellijk toonde zich een bol hoofd. Het was Jan, de andere knecht van Willem. “Ze zijn vertrokken. Ze hebben tot een half uur geleden wacht gehouden bij de boot. Ik denk dat ze het niet nodig vinden om in de avond hier te blijven, zeker nu het hoog tij al voorbij is. Wel is er nog één man aan boord” Willem gromde. Dat zou ze eens aardig kunnen tegenvallen. De Bergse haven was weliswaar een getijde haven, maar zijn boot was nog niet droog gevallen. En omdat het een platbodem was had ze niet veel kielgang. Dat was ook wel nodig wilde hij alle Zeeuwse eilanden bezoeken. “Kom jongens, dan maar een nat pak. We zwemmen naar de ‘Maartje’ en verdwijnen hier zo snel mogelijk.” Willem, Jan en Henk lieten zich in het water zakken langs een trapje aan de kade. Ze zorgden er voor dat ze zo min mogelijk rimpelingen veroorzaakten, dan was er ook bijna geen geluid. “Eerst naar het roer, daar kunnen we aan boord. Henk en ik bekommeren ons om de wacht en Jan, jij snijdt de touwen los.” Eenmaal bij hun boot ‘Maartje’ klommen ze snel aan boord. De wacht maakte het hen wel erg gemakkelijk, hij lag luid snurkend tegen de boeg. Al snel was hij gekneveld en gebonden en op de kade gelegd onder een zeil. Willem grijnsde, zijn boot was wel zwaar geladen maar het tij bood nog voldoende water om te vertrekken. Daar waar andere boten met een kiel al scheef lagen daar kon hij met zijn ‘Maartje’ nog goed uit de voeten. Hij streelde de gouden letters die hij pas drie dagen geleden op zijn nieuwe boot geschilderd had. Het was nu al behoorlijk donker geworden maar hij kende deze waterwegen op zijn duimpje. Zonder geruis gleed de boot in de duisternis. Ze waren ontsnapt.

 

De volgende dag stond Piet Landa al vroeg op de kade. Hij zou zijn nieuwe boot in bezitting nemen maar al wat hij zag was een lege plek. Toen hij gekreun hoorde en een geknevelde en gebonden man onder een zeil vandaan trok, wist hij genoeg. Willem Withagen was hem te slim af geweest!