Al op jonge leeftijd hoorde ik verhalen over oude motoren. In Pa’s verhalen leerde ik over merken als Sarolea, René Gillet, Zündapp, BMW, Royal Enfield, Djnpr, CZ of Peugeot, en natuurlijk Indian en Harley Davidson.

Ik zat met glinsterende ogen te luisteren als Pa vertelde. Over hoe hij nog een BMW R51 racer had gehad, die hij moest verkopen omdat er een trouwpak moest komen voor zijn bruiloft met Ma. Er kwam een opkoper uit Zeeland die een belachelijk schamel bedragje wilde betalen. Pa werd zo kwaad dat hij een moker pakte en de zijkop en gruzelementen sloef, vervolgens dreigde hij de opkoper een dreun te verkopen. De BMW had hij toen in onderdelen verkocht, waarbij de opbrengst nog hoger was dan het hele bedrag dat hij voor de BMW had gevraagd.

Later hoorde ik de verhalen aan uit de oorlog. Hoe Pa op BMW’s en Zündapps pas echt had geleerd hoe hij moest motorrijden.  Ik was spontaan verliefd op de tweewieler.

Op een zeker momen tliep mijn zus Grada tegen een echte biker aan: Jan uit Steenbergen. Pa noemde hem vanaf het begin “Jan Latjes” of “Bos Koperdraad”, want Jan had lange gekrulde rode haren. Hij reed op een Honda CB750 en maakte deel uit van de groep motorrijders die steevast bij Rinie Broeders te vinden was aan de Fijnaartse dijk. Het ene gedeelte reed op een Japanse motor, vaak zelf voorzien van racekuip en racezadel, terwijl het andere gedeelte op een Harley reed. Ze maakten op zondag toertochtjes door Zeeland en België. Jan had al snel door dat ik helemaal wild van motoren was. Het duurde niet lang of ik mocht achterop mee op de vele tochtjes. Zo reden we ook met de groep naar een of ander race circuit als Rinie een race had. Het was een prachtig zicht als op een zondagochtend zo’n 20 tot 40 motoren onze straat in kwamen rijden. Vrienden uit de buurt stonden dan jaloers te kijken als ik achterop stapte en we allen wegstoven. Of de buren zo blij waren met al die bulderende motoren is een ander verhaal 😉.

Bij ons in de familie was het traditie dat bij het bereiken van de 18-jarige leeftijd het rijbewijs behaald werd. Pa wilde immers dat je mobiel en zelfstandig zou zijn. Ma betaalde de rijlessen en Pa het examen. Wel grappig dat ze dit zo verdeelden. Het geld kwam immers uit hetzelfde geldpotje. Toen ik 18 werd, wilde ma dat de rollen omgedraaid werden. ‘Ik ben altijd duurder uit dan jou,’ sprak ze tegen Pa, ‘nu is het tijd dat jij eens “de klos” bent.’  Pa kon er wel om lachen, hij wist iets dat Ma niet wist. Ik wilde namelijk mijn motorrijbewijs halen. Pa bracht me naar rijinstructeur Krijn Scheffelaar die les gaf op een Vespa 200 cc scooter. Omdat Krijn last had van spataderen en het examen reeds was aangevraagd (‘jij rijdt al op een schakelbrommer, die waarschijnlijk te hard loopt en je bent een echte zoon van je vader. Je zult dus niet veel lessen nodig hebben.’), heb ik slechts twee rijlessen van een half uur gehad. Ik kreeg een uur voor het examen de scooter van Krijn te leen om “warm te draaien” en slaagde per ongeluk in 1 keer. Kosten: 2x een half uur à 17 gulden en 50 cent en 105 gulden voor het examen. Zo was Ma ook deze keer duurder uit dan Pa.

Mijn eerst motor was een Honda CB125 twee cilinder. Ik was zo trots als een aap, hoewel de brommer van mijn maat Co, een Kreidler, haast net zo hard liep. Op een keer ging ik voor een ritje Zeeland op pad. Echter het was een erg harde wind tegen en de top van zo’n 120 kilometer per uur liep al snel terug naar 100, naar 90 tot 75 zelfs. Even terugschakelen en ik zat zo weer aan de honderd. Echter, in de vijfde versnelling was het motortje echt veel te zwak.

Op een zondag liep mijn zus Lia de garage in om mijn motor te “bewonderen”. Toen ze terug de woonkamer in liep zei ze:’ Joh hij is helemaal verchroomd?’ Had ze naar de Kreidler van mijn jongste broer Henk staan kijken. Toen ik diezelfde middag een rondje met de motor deed en bij een spoorwegovergang stopte, kwam er een Honda Goldwing naast me tot stilstand. De bevallige dame met lang wuivend haar keek eens naar mijn motor en sprak: ‘Kijk eens wat een lief motortje, ik wist niet dat die nog rond reden.’

Ik lachte als de bekende boer met kiespijn en reed in één streep naar huis. Er moest een “volwassen” motor komen, een “echte”.

Bij de motorgroep waar ik regelmatig een tochtje mee maakte, wisten ze wel een aantal adresjes waar je met een kleine beurs een leuke motor kon kopen. Uiteindelijk kwam ik met een Suzuki T500 thuis, een bruut van een tweecilinder tweetakt. Een paar maanden later moest er een kuip op komen, iets wat in die tijd heel gewoon was. Met behulp van mijn zwager Jan tikten we een tweedehands Rickman racekuip op de kop, die we passend maakten. Zo kon ik de groep echt bijbenen. Al snel moest ik maar helemaal achteraan rijden. ‘Die kleine rijdt als een idioot, die laten we niet op kop rijden. Achteraan kan hij niets anders dan in ons tempo volgen.’

Sja, mijn zwager had altijd gezegd dat je bochten zo moest nemen dat je door het plat gaan je steunen aan de grond kreeg, anders was je geen echte motorrijder.

In de loop der jaren zijn er nog veel andere motoren gekomen, van echte racers tot de relaxte cruisers en choppers. Ondertussen had mijn oudere broer Sjef ook de motor ontdekt en samen hebben we veel mooie ritjes gemaakt, tot in de Ardennen toe.

Mijn neef en vriend Corné ging vaak mee op onze tochtjes op zijn Harley, en anderen volgden. Zo ontstond de groep Bergse Baaikers. We kregen onze eigen patch enhebben heel wat tochtjes gemaakt. Lekker relaxt toeren in goed gezelschap.

Ten langen leste kreeg ik de kans om mijn droommotor te kopen: een Indian Scout. Ik was al heel mijn leven lang gek op dit Amerikaanse merk, ook al omdat Pa er vaak over verteld had. Het cirkeltje was rond. Een motor die een hele lage zit had, zodat mijn korte pootjes aan de grond konden, een berg vermogen en gewoonweg heel comfortabel op lange ritten was. Hans Griek verbouwde de motor met twee extra grote koplampen voorop en het kenteken aan de zijkant. Met de kleur “Indian red” had ik eindelijk mijn droommotor en ik was dan ook vaak op pad, of met mijn broer Sjef of mijn neef en maat Corné. Ik was gelukkig en zou wel tachtig worden op de motor. Met een inpandige garage was mijn dierbare tweewieler altijd bij de hand.

Helaas loopt het leven niet altijd zoals je dat zelf uitstippelt. Gezondheidsproblemen hebben mij genoopt te stoppen met de tweewieler. Ik heb de motor met tranen in de ogen weg moeten doen, een stuk van mijn leven is me zo ontnomen. Van mijn 18e af heb ik tot mijn zestigste motor gereden, in de sporen van ons Pa.

Gelukkig heb ik nog heel veel foto’s en herinneringen en bezoek ik nog graag motorevenementen, zoals bij voorbeeld bij Café Die Twee in Bergen op Zoom. Ik heb een biker’s hart geërfd van ons Pa en dat zal immers nooit veranderen. 

Of zoals een Franse motorrijder me eens vertelde: ‘Eens een biker altijd een biker!’

Effe terugkijken op mijn mobiele tweewielersverleden..